Achtergrondinformatie

Kindermishandeling komt overal voor. In Nederland zijn naar schatting minstens 80.000 kinderen per jaar slachtoffer van kindermishandeling.
Tussen de 50 en 80 kinderen per jaar overlijden aan de gevolgen van kindermishandeling. Kindermishandeling is een ernstig probleem.
Kinderen die mishandeld worden hebben recht op hulp. En liefst zo vroeg mogelijk. De schade kan dan beperkt blijven.
Kinderopvang is bij uitstek een plaats waar (een vermoeden van) kindermishandeling gesignaleerd kan worden.
Kindercentra dragen een eigen verantwoordelijkheid voor het signaleren van kindermishandeling en voor het ondernemen van actie na het signaleren.
De signalen moeten worden doorgegeven aan de instanties die hulp kunnen bieden aan het gezin. De pedagogisch medewerkers hebben hierin een duidelijke taak.
Zij zien de kinderen regelmatig en kunnen opvallend of afwijkend gedrag signaleren. Nadat zij signalen hebben opgemerkt is het ook hun taak actie te ondernemen, waarna het protocol wordt gevolgd.
De leidinggevenden steunen de pedagogisch medewerkers bij deze taak en geven sturing aan de uitvoering van het protocol.
Zij zijn er verantwoordelijk voor dat de signalen bij de juiste instantie terechtkomen.
Dit betekent dat er enige deskundigheid moet zijn in het signaleren en in het omgaan met de signalen van kindermishandeling Dit protocol geeft de stappen aan die gezet kunnen worden in het proces van signaleren.

Inleiding protocol

Kindermishandeling is geen eenduidig begrip. Wat iemand kindermishandeling noemt, heeft te maken met eigen normen en waarden, de manier waarop men zelf is opgevoed en de cultuur waarin men leeft.
Het is van belang onderscheid te maken tussen kindermishandeling en minder gewenste opvoedingssituaties. Iedere ouder maakt immers wel eens fouten, is onredelijk of driftig of deelt een tik uit.
Bij kindermishandeling is er echter sprake van structureel, stelselmatig, steeds terugkerend geweld of het ontbreken van zorg van de ouder(s) naar zijn/haar kinderen.

Definitie van kindermishandeling

Kindermishandeling is elke vorm van bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke,psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief, opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. (Wet op de jeugdzorg, 2005)
Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg enonderwijs en het getuige zijn van huiselijk geweld.

Vormen van kindermishandeling

Lichamelijk mishandeling

Er is sprake van lichamelijke mishandeling wanneer de verzorgers het kind verwonden.
Voorbeelden: de verzorger slaat en schopt het kind, de verzorger brandt het kind met een sigaret, bijten, snijden, dwingen om schadelijke stoffen in te nemen.

Lichamelijke verwaarlozing

De verzorger is niet in staat of bereid tot het verschaffen van minimale zorg t.a.v. de lichamelijke behoeften van een kind op een of meerdere gebieden: voeding, kleding, onderdak, bezoek aan arts en/tandarts, hygiëne.
Voorbeelden: de verzorger zorgt regelmatig niet voor eten voor de kinderen, het kind is vuil en heeft (langdurig en regelmatig) luizen, de verzorger zorgt niet voor een geschikte slaapplaats voor het kind.
Het kind komt altijd met vieze luiers en heeft ernstige luieruitslag, het kind heeft medicijnen nodig, maar de verzorgers zorgen er niet voor dat het kind ze regelmatig krijgt, een kind wordt ’s nachts vele uren alleen gelaten.

Emotionele mishandeling

Vrijwel alle vormen van kindermishandeling brengen negatieve emotionele/psychologische boodschappen over naar het kind.
Voorbeelden:
de verzorger kleineert het kind vaak,
er is sprake van partnergeweld,
de verzorger geeft het kind de schuld van relatieproblemen,
de verzorger staat geen vriendschap met leeftijdsgenootjes toe,
het kind wordt achtergesteld bij andere kinderen uit het gezin,
het kind wordt gepest, getreiterd,
de verzorger houdt het kind vaak thuis om op jongere kinderen te passen;
de verzorger is ervan op de hoogte dat het kind zich inlaat met illegale praktijken maar grijpt niet in;
de verzorger verkoopt drugs in het bijzijn van het kind; het kind wordt ingeschakeld bij de verkoop van drugs.
Getuige zijn van huiselijk geweld: kinderen die opgroeien in een gewelddadig gezin, voelen de spanning, horen de kreten, zien de verwondingen, willen tussenbeide springen en kunnen daardoor ernstige psychische schade oplopen. Die kinderen leven in constante angst.

Emotionele verwaarlozing

Het ontzeggen van warmte, aandacht, respect, contact, nooit eens knuffelen.

Seksueel misbruik

De verzorger heeft seksueel contact met het kind, probeert dit te hebben of laat het kind kijken naar, ter bevrediging van de seksuele gevoelens van de betrokken verzorger en/of uit geldelijk gewin.
Voorbeelden: de verzorger laat het kind pornografisch materiaal zien, de verzorger betrekt het kind in wederzijdse masturbatie, de verzorger verkracht het kind.

Terminologie

In dit protocol is gekozen voor het gebruik voor de term verzorger. Onder verzorger wordt verstaan de ouder en/of wettelijk vertegenwoordiger (bijvoorbeeld een voogd) van het kind.

Verdeling verantwoordelijkheden

Bij gebruik van dit protocol moet duidelijk zijn wie binnen de organisatie waarvoor verantwoordelijk is.

Verantwoordelijkheden directie, bestuur, aandachtsfunctionaris kindermishandeling:

• Opnemen van het protocol kindermishandeling in het kwaliteitsbeleid van de organisatie.
• Informeren van ouders en medewerkers over dit beleid.
• Steunen van alle medewerkers in het handelen volgens het protocol.
• Zorgdragen voor voldoende deskundigheid bij medewerkers over signaleren en omgaan met (vermoedens van) kindermishandeling.
• Eindverantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van het protocol.

Verantwoordelijkheden aandachtsfunctionaris:

• Herkennen van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
• Functioneren als vraagbaak binnen de organisatie voor algemene informatie over (het protocol) kindermishandeling.
• Overleg plegen met de medewerker die zorg heeft over een kind.
• Indien nodig overleggen met andere beroepskrachten.
• Kennis hebben van de handelwijze volgens het protocol.
• Vaststellen van taken van een ieder (wie doet wat wanneer).
• Zonodig contact op nemen met Veilig Thuis. (het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling).
• Waken voor de veiligheid van het kind bij het nemen van beslissingen.
• Toezien op zorgvuldige omgang met de privacy van het betreffende gezin.
• Verslaglegging.
• Afsluiten van het protocol.
• Evalueren van de genomen stappen.
• Bijhouden van de sociale kaart.
• Periodiek bijstellen van het protocol.

Verantwoordelijkheden pedagogisch medewerkers:

• Herkennen van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
• Overleg plegen met de aandachtsfunctionaris bij zorg over een kind aan de hand van waargenomen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
• Uitvoeren van afspraken die zijn voortgekomen uit het overleg met de aandachtsfunctionaris, zoals extra observeren of een gesprek met de verzorger.
• Bespreken van de resultaten van deze ondernomen stappen met de aandachtsfunctionaris.

De directie, de aandachtsfunctionaris en de medewerkers zijn niet verantwoordelijk voor:

o Vaststellen of er al dan niet sprake is van kindermishandeling.
o Verlenen van professionele hulp aan ouders of kinderen (begeleiding, therapie).

Stappenschema Vermoeden Kindermishandeling

Fase 1: De pedagogisch medewerker heeft een vermoeden (start tijdlijn)

• Observeer extra aan de hand van een observatieformulier (zie bijlage 1 van de meldcode) en leg vast in de kindmap. (kindgegevens, of bij dossier op kantoor).
• Onderzoek naar onderbouwing.
• Leg objectieve waarnemingen voor aan de verzorger(s) zonder daarbij het vermoeden uit te spreken

Verantwoordelijkheid bij de pedagogisch medewerker.

Fase 2: De pedagogisch medewerker bespreekt het onderbouwde vermoeden in het Groepsoverleg (binnen 4 weken na fase 1)

• Bespreken informatie met naaste collega’s/leidinggevende en aandachtsfunctionaris.
• (Eventueel) extra gegevens (voorbeeld).
• Plan van aanpak.

Verantwoordelijkheid bij de pedagogisch medewerker(s) en aandachtsfunctionaris kindermishandeling.

Fase 3: Het uitvoeren van een plan van aanpak (binnen 2 weken na fase 2)

• Consulteren Veilig Thuis.
• Praten met verzorger(s) over objectieve waarnemingen en niet over vermoeden.
• (Eventueel) praten met kind
• Bespreken van de resultaten.

Verantwoordelijkheid bij de aandachtsfunctionaris kindermishandeling.

Fase 4: Beslissing (binnen 2 weken na fase 3)

• De vermoedens zijn na overleg met de betrokkenen niet bevestigd.
• Na gesprek(ken) met verzorger(s) is duidelijk dat verzorger(s) ook bezorgd zijn.
• Na overleg met verzorger(s) blijft er ernstige twijfel bestaan.
• Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na het gesprek met de verzorger(s) gegrond.
• Er ontstaat een crisissituatie.

Verantwoordelijkheid bij de aandachtsfunctionaris kindermishandeling in overleg met directie/ leidinggevende.

Fase 5: Handelen (binnen 4 weken na fase 4)

• Wanneer de vermoedens na overleg met de betrokkenen niet zijn bevestigd: vernietig de werkaantekeningen en sluit de zaak af.
• Wanneer na gesprek(ken) met verzorger(s) duidelijk is dat verzorger(s) ook bezorgd zijn, verwijs de verzorger(s) door.
• Wanneer er na overleg met verzorger(s) ernstige twijfel blijft bestaan spreek een extra observatieperiode af.
• Wanneer het vermoeden van kindermishandeling na het gesprek met de verzorger(s) gegrond blijkt, wordt er een melding bij Veilig Thuis gedaan.
• Wanneer er een crisissituatie ontstaat, wordt er gemeld bij:
– politie of (tel.nr erbij vermelden)
– crisisdienst bureau Jeugdzorg. (tel.nr erbij vermelden)

Verantwoordelijkheid bij de aandachtsfunctionaris kindermishandeling in overleg met directie/leidinggevende.

Fase 6: Evaluatie (binnen 2 weken na fase 5)

• Evalueer het proces en de procedure (wie?)
• Stel zo nodig afspraken bij(wie?)
• Registreer (hebben we hier formulieren voor?)

Verantwoordelijkheid bij de aandachtsfunctionaris kindermishandeling in overleg met directie.

Fase 7: Nazorg (voortdurend tot einde contract)

• Blijf alert op het welzijn van het kind.
• Blijf signalen en zorgen melden bij Veilig Thuis.

Verantwoordelijkheid bij de pedagogisch medewerker en de aandachtsfunctionaris kindermishandeling.

Toelichting stappenschema

Fase 1: Signaleren, de medewerker heeft een vermoeden

Kinderen die mishandeld worden, kunnen veel verschillende signalen laten zien. Deze signalen kunnen wijzen op kindermishandeling, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben zoals een scheiding of een sterfgeval.
Het bewust worden van een vermoeden van kindermishandeling geeft vaak een vervelend gevoel: onzekerheid over de opgemerkte signalen, angst om je er mee te bemoeien.
Wat helpt om kindermishandeling te durven signaleren is de overtuiging en de wetenschap dat kindermishandeling een ernstig probleem is en waar je niet omheen kunt als je met jonge kinderen werkt.
Signaleren begint vaak met een niet-pluis gevoel. Bij signaleren gaat het in de eerste plaats om de zorg die de pedagogisch medewerker heeft over een kind, waarvoor zij geen geruststellende verklaring kan vinden.
Kindermishandeling is één van de mogelijke oorzaken. Het is niet aan de pedagogisch medewerker om vast te stellen dat er sprake is van kindermishandeling.
Het gaat om de zorgen die zij heeft over een kind. Meestal zullen mishandelde kinderen of degene die hen mishandelt niet uit zichzelf over de situatie vertellen.
Het is nodig dat personen in de omgeving van het kind de verantwoordelijkheid nemen om situaties van kindermishandeling bespreekbaar te maken en te stoppen.
Bepaal voor deze fase een tijdlimiet (maximaal één maand).

Observeer het kind, leg waarnemingen vast en zoek naar onderbouwing
Als er signalen zijn die zouden kunnen wijzen op kindermishandeling probeert de pedagogisch medewerker met gebruik van het observatieformulier de zorgen rond een kind duidelijker te krijgen.
Hierbij maakt zij gebruik van haar eigen waarnemingen. Zij kan informatie vragen aan haar collega’s.
Ook kan zij informatie uit de gebruikelijke contacten met ouders halen, bijvoorbeeld bij de breng- en haalcontacten op de opvang.
Het is belangrijk dat bij het verhelderen van de vermoedens een onderscheid wordt gemaakt tussen objectieve gegevens en subjectieve gegevens.
Onder objectieve gegevens wordt verstaan datgene wat daadwerkelijk gezien kan worden, zoals een blauwe plek op een arm, een kapot regenjasje of te kleine schoenen.
Onder subjectieve gegevens wordt verstaan hoe de gegevens geïnterpreteerd worden. Bijvoorbeeld het kind heeft een blauwe plek: “Het kind is geslagen” of “het kind ziet er verwaarloosd uit”.
Op het observatieformulier worden de objectieve gegevens genoteerd. Het observatieformulier gaat de kindmap in. Wanneer je behoefte hebt ook de subjectieve gegevens te noteren, doe dat dan in anonieme werkaantekeningen.
Werkaantekeningen gaan de kind map niet in en zijn niet ter inzage van de verzorger(s).
Ga zorgvuldig met werkaantekeningen om (zie Omgaan met privacy). Houd er rekening mee dat signalen ook op andere oorzaken kunnen wijzen en dat één signaal op zichzelf niets zegt.
Pas wanneer er meerdere signalen worden gezien die door meerdere mensen worden opgemerkt, kan men denken aan een vermoeden van kindermishandeling.

Let op: · het is niet de taak van de pedagogisch medewerker om speurwerk naar een dader te doen.
· Het is niet de taak van de pedagogisch medewerker om tot 100 procent zekerheid te komen over de mishandeling.
Het is wel de taak van de pedagogisch medewerker om het kind te steunen, het beeld over het gedrag duidelijker te krijgen en de zorgen die er zijn te onderbouwen.

Leg de waarnemingen voor aan de verzorger(s)
Signalen als hoofdpijn, angst of agressie kunnen bij kinderen verschillende oorzaken hebben.
Het is belangrijk deze signalen in de vorm van concrete waarnemingen zo veel mogelijk rechtstreeks met de verzorger(s) te bespreken.
In deze eerste fase is het verstandig de vermoedens van kindermishandeling niet uit te spreken in het contact met verzorger(s). Bijvoorbeeld:
Karin heeft een wond op haar hoofd, wat is er gebeurd? In plaats van Karin heeft een wond op haar hoofd en ik denk dat vader haar heeft geslagen.
Zorg ervoor dat een gesprek met de verzorger(s) niet op zich zelf staat maar logisch voortvloeit uit de contacten die er al zijn.
Door regelmatig met hen informatie uit te wisselen over het functioneren van het kind in de groep en thuis is het gemakkelijker om ook zorgen rond een kind vroegtijdig bespreekbaar te maken.
In veel gevallen zal het bespreken van de signalen ertoe leiden dat er een verklaring volgt die het vermoeden kan wegnemen.
In een aantal gevallen zal de informatie van de verzorger(s) de zorgen niet kunnen wegnemen en zijn verdere stappen noodzakelijk (zie ook de bijlage 4,5 een gesprek met verzorger(s).
Ook kun je bij de regionale preventieteams een training aanvragen over hoe je je zorgen kunt delen met ouders.

Fase 2: De pedagogisch medewerker bespreekt het onderbouwde vermoeden in een Groepsoverleg

De pedagogisch medewerker legt de zorgen voor aan de aandachtsfunctionaris kindermishandeling.
De aandachtsfunctionaris kindermishandeling kan de pedagogisch medewerker ondersteunen en begeleiden in het proces van het verkrijgen van informatie.
Tijdens het groepsoverleg kun je een wijkverpleegkundige van het consultatiebureau uitnodigen of een andere deskundige om je zorg te delen. Met wie je ook spreekt, houd de groep zo klein mogelijk en houd rekening met de privacy van verzorger en kind.
In het groepsoverleg worden de zorgen besproken die er zijn en wordt besproken waarom er wordt gedacht aan kindermishandeling. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van bijlage 4 en 5.
Dit overleg dient als middel om het vermoeden te toetsen bij anderen, informatie te verzamelen, maar ook om ruimte te geven aan eventuele emoties.
Om tot een goede onderbouwing te komen van de vermoedens wordt er besproken welke gegevens er zijn en welke nog ontbreken.
Eén persoon is verantwoordelijk voor de coördinatie en voortgang. Bij voorkeur is dit niet de pedagogisch medewerker

Extra gegevens
Wanneer er nog gegevens ontbreken worden er afspraken gemaakt over extra observaties en wordt afgesproken waarop, door wie wordt geobserveerd.
Het gebruik van de signalenlijst kan soms duidelijkheid geven (zie ook bijlage 3).
Verder kan met toestemming van de verzorger(s) ook het consultatiebureau of een medewerker van een opvoedbureau om informatie en/of advies gevraagd worden.
Wanneer verzorger(s) hier geen toestemming voor geven kunnen de zorgen omtrent het gezin / het kind besproken worden zonder de naam van het kind te noemen.

Plan van aanpak De leden van het groepsoverleg bespreken de informatie en de extra gegevens.
Wanneer de vermoedens niet onderbouwd kunnen worden en ook de zorgen bestaan niet meer, sluit de zaak dan af en ga naar fase 6. De persoonlijke werkaantekeningen worden vernietigd.
Indien het vermoeden blijft bestaan, besluit dan tot een plan van aanpak.
In het plan van aanpak worden de mogelijke stappen beschreven, die uitgewerkt worden in fase 3.

Fase 3: Het uitvoeren van een plan van aanpak

Een consultatie bij Veilig Thuis
Overleg met Veilig Thuiais in alle gevallen aan te raden. Veilig Thuis biedt ondersteuning bij het interpreteren van signalen en bij het nadenken over de vervolgstappen die noodzakelijk zijn. (zie ook bijlage 2)

Praten met verzorger(s)
Overleg binnen het groepsoverleg wie het beste met de verzorger(s) kan spreken. Bereidt het gesprek goed voor (zie ook bijlage 6,7).
Overleg na afloop van het gesprek in het groepsoverleg over verdere stappen. Veilig Thuis kan adviseren hoe een gesprek gevoerd kan worden met de verzorger(s).
Een gesprek met de verzorger(s) hoeft niet bedreigend te zijn voor de ouders als zij de ruimte krijgen om hun ideeën naar voren te brengen. In het gesprek met de verzorger(s) gaat het om het bespreken van de dingen die opvallen aan hun kind en die aanleiding geven tot zorg over hun kind.
Ook moet worden besproken dat de zorg al langere tijd bestaat en dat de zorg om aanleiding is tot zorg over de ontwikkeling van het kind.

(Eventueel) praten met kind
Overleg binnen het groepsoverleg of een gesprek(je) met het kind heeft meerwaarde (zie bijlage ook 8 en 9).
Een gesprek heeft als doel het kind te ondersteunen. Zorg ervoor dat een gesprek waardevol voor het kind is.
Let op dat u in het gesprek de verzorger(s) niet veroordeeld. Een kind heeft immers maar één (paar) verzorger(s).
Houd ook in gedachten dat een gesprek niet als hoofddoel mag hebben om informatie uit het kind te halen. Laat het geen verhoor worden.

Bespreek de resultaten in het groepsoverleg
Bespreek maximaal na 1 maand alle waarnemingen/ gegevens die tot nu verzameld zijn. Ook de informatie uit de gesprekken wordt besproken.
Zorg ervoor dat u een beeld krijgt van de verzorging en opvoedingssituatie van het kind. Schat ook de draaglast/draagkracht in van de verzorger(s).

Fase 4: Beslissing

De directie wordt op de hoogte gesteld en in overleg met de directie wordt in het groepsoverleg een beslissing genomen:

– De vermoedens zijn na overleg met de betrokkenen niet bevestigd en ook dezorgen over het kind bestaan niet meer.
– Na gesprek(ken) met verzorger(s) is duidelijk dat verzorger(s) ook bezorgd is/zijn.
De oorzaak van de zorgen kan een minder gewenste opvoedingssituatie zijn of een andere oorzaak hebben.
In het gesprek wordt duidelijk dat ook de verzorgers vinden dat het belangrijk is dat er hulp op gang komt.
– Na overleg met betrokkenen blijft er ernstige twijfel bestaan; het is niet duidelijkof er wel of niet sprake is van een vermoeden.
– Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na het gesprek met de betrokkenengegrond en de zorg over het kind blijft bestaan.
– Er ontstaat een crisissituatie.

Fase 5: Handelen

De vermoedens zijn na overleg met de verzorger(s) niet bevestigd en ook de zorgen over het kind bestaan niet meer.
Sluit de zaak af en vernietig alle schriftelijke aantekeningen.

Na gesprek(ken) met verzorger(s) is duidelijk dat verzorger(s) ook bezorgd is/zijn.
De oorzaak van de zorgen kan een minder gewenste opvoedingssituatie zijn of een andere oorzaak hebben.
Wanneer in het gesprek duidelijk wordt dat de verzorger(s) ook vinden dat het belangrijk is dat er hulp voor hen komt, kan er worden doorverwezen.
Bijvoorbeeld naar Bureau Jeugdzorg. Zorg er wel voor dat de verzorger(s) die hulp krijgen die zij nodig hebben om ook daadwerkelijk bij Bureau Jeugdzorg binnen te komen.
Bureau Jeugdzorg zal daarna bekijken welke hulp gewenst is.

Na overleg met verzorger(s) blijft er ernstige twijfel bestaan; het is niet duidelijk of er wel of niet sprake is van een vermoeden.
In dit geval is het goed om de situatie rondom het kind nog een tijdje in de gaten te houden en na een vastgestelde periode (niet langer dan een maand) opnieuw in een intern/extern overleg te bespreken.
Maak duidelijke afspraken waarop geobserveerd zal gaan worden en door wie.
Ga daarna dan weer naar fase 4 de beslissing.
Het is belangrijk dat op zeker moment besloten wordt tot ofwel actie ofwel afsluiten van de zaak. Vermijd het risico dat een gezin jarenlang achtervolgd wordt door vage vermoedens en onduidelijkheden.

Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na het gesprek met de verzorger(s) gegrond en de zorg over het kind blijft bestaan.
In overleg met de directie en de leden van het groepsoverleg meldt je bij Veilig Thuis. (Zie bijlage 11 over meldrecht, meldplicht en zorgplicht).
Het vermoeden hoeft niet bewezen te zijn! Als er in het groepsoverleg besloten is dat de vermoedens van kindermishandeling worden gemeld bij Veilig Thuis, is het belangrijk dat dit aan de verzorger(s) in een persoonlijk gesprek verteld wordt.
Veilig Thuis kan advies geven over het voeren van dit gesprek.
Hoewel dit een moeilijk gesprek is, is het van belang voor de verdere hulpverlening aan het kind.
Verzorger(s) zijn sneller bereid problemen te erkennen en hulpverlening te aanvaarden wanneer er in alle openheid over gesproken wordt.
Zodat zij niet het gevoel hebben dat er zaken stiekem achter hun rug om gebeuren. Isolement houdt kindermishandeling in stand. Openheid kan het doorbreken.
Wanneer het in het belang van het kind is om zonder medeweten van verzorger(s) te melden bij Veilig Thuis, dan is dit ook mogelijk.

Er ontstaat een crisissituatie

Wanneer een crisissituatie en/of een levensbedreigende situatie voor het kind ontstaat, belt u de politie of de crisisdienst van het Bureau Jeugdzorg.

Fase 6: Evaluatie

Evalueer het proces en de procedure
De leden van het groepsoverleg en de directie evalueren datgene wat er is gebeurd en de procedures die zijn gevolgd.
Zo nodig wordt de zaak ook doorgesproken met andere betrokkenen. Zo nodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.
Zorg ervoor dat geanonimiseerde gegevens met betrekking tot het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd.
Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard.
De gegevens worden geregistreerd en bewaard om in kaart te kunnen brengen hoe vaak vermoedens van kindermishandeling binnen de gehele organisatie voorkomen en op welke wijze daarmee wordt omgegaan.
Rapportage naar directie.

Fase 7: Nazorg

Blijf alert op het welzijn van het kind. Het op gang brengen van hulp in het gezin is de aanzet tot het verhelpen van de problemen. Het kost enige tijd voordat die hulp vruchten afwerpt.
De verantwoordelijkheid van het kindercentrum in het kader van nazorg is:
· Het bieden van een veilige plek aan het kind.
· De begeleiding en het observeren van het kind.
· De bereidheid tot het geven van informatie aan Veilig Thuis over het functioneren van het kind in de groep en het contact met de verzorger(s).
· Het meedenken in overlegsituaties ten behoeve van hulpverlening aan het kind en de verzorger(s).

Zoek zo nodig opnieuw contact met Veilig Thuis.
Als het kind is gemeld bij Veilig Thuis en er nieuwe signalen zijn, is het van belang deze door te geven aan Veilig Thuis.
Veilig Thuis kan zo nodig contact opnemen met het gezin of met de betrokken hulpverleningsinstellingen.
Wanneer het kind, zonder duidelijke opgaaf van redenen wegblijft van het kindercentrum, is het belangrijk om dit door te geven aan Veilig Thuis.

Zorgen rondom het kind kunnen bij de medewerker allerlei twijfels en gevoelens losgemaakt hebben.
Naast het feit dat het de verantwoordelijkheid van de medewerker zelf is om twijfels en gevoelens kenbaar en bespreekbaar te maken, is het belangrijk dat er in het groepsoverleg aandacht aan wordt besteed.
Het is van belang dat er ook nazorg voor de medewerkers beschikbaar is.
Iedere medewerker heeft recht op een veilige werkplek. De werkgever dient hiervoor de voorwaarden te scheppen.

Handelswijze inzake vermoeden mishandeling door pedagogisch medewerker verbonden aan ‘Dikke Maatjes’.

Hoe ondenkbaar bovenstaande ook mag zijn, de mogelijkheid bestaat.
Mocht deze situatie zich voordoen handel dan hetzelfde als wanneer het vermoeden jegens ouders verzorgers en andere niet aan dikke maatjes gerelateerde personen betreft.
Echter met het verschil dat vanaf Fase 2 niet de coördinator maar direct de directie de overlegpartner wordt.
Bedenk hierbij dat het schaden van de naam van onze organisatie ernstige gevolgen kan hebben voor het voortbestaan en aarzel dus niet deze signalen te overleggen.


informatie over Veilig Thuis

Veilig Thuis (Advies en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling) geeft advies, ondersteunt, doet onderzoek en brengt hulpverlening op gang om de situatie voor alle betrokkenen veiliger te maken.
Er kan Advies gevraagd worden en/of een Melding gedaan worden.
Kinderen en ouders kunnen zelf ook bellen als ze behoefte hebben aan ondersteuning of advies.

Werkwijze Veilig Thuis

Veilig Thuis streeft ernaar zo laagdrempelig mogelijk te werken en kan telefonisch benaderd worden door allerlei mensen die zich zorgen maken over de situatie van bepaalde kinderen.
Dit kunnen mensen zijn die beroepshalve met kinderen te maken hebben, maar ook buren of familieleden.
Voor beroepsbeoefenaren, zoals leidsters, leerkrachten, huisartsen en jgz-medewerkers, is het mogelijk om anoniem te melden.
Via Veilig Thuis wordt de naam van de melder dan niet bekend gemaakt bij het kind, diens gezin of derden.
Na een telefonisch contact zijn er drie mogelijkheden:

1. Advies
Hierbij worden geen gegevens geregistreerd over het betreffende kind of gezin. Veilig Thuis komt niet in actie in de richting van het kind waarover melding is gedaan.
2. Consult
Ook dit richt zich op degene die belt. Het consult richt zich op het uitvoeren van een advies.
De consultvrager wordt begeleid in de, op advies van Veilig Thuis, te nemen stappen.
Er wordt geen actie ondernomen door Veilig Thuis richting kind/gezin waarover melding is gedaan en er worden geen gegevens geregistreerd.
Er kan wel een dossier op naam van de consultvrager worden aangelegd.
3. Melding
Hierbij neemt Veilig Thuis alle gegevens op over het kind of het gezin waar melding over wordt gemaakt.
Hierop volgt intern een intakeoverleg, waarbij een vertrouwensarts aanwezig is.
In dit overleg wordt besloten of het Veilig Thuis verantwoordelijkheid moet nemen voor de gemelde situatie.
De melder krijgt bericht of de zaak is aangenomen en Veilig Thuis verantwoordelijkheid neemt.
Uitgangspunt bij een melding is om zo min mogelijk buiten de ouders/verzorgers om te opereren en zo snel mogelijk contact te leggen met hen zelf (binnen vier tot zes weken).
Alleen indien het belang van het kind zich hiertegen verzet wordt dit contact uitgesteld en in eerste instantie huisarts, school en dergelijke benaderd.
Adviezen en hulp door Bureau Jeugdzorg en Veilig Thuis zijn gratis.

Informatie Jeugdzorg Nederland

Bureau Jeugdzorg biedt informatie, advies, begeleiding en hulp aan jongeren tot 18 jaar en hun ouders en/of verzorgers, beroepskrachten of andere betrokkenen op psychosociaal opvoedkundig gebied.
Daarnaast is het Bureau Jeugdzorg de toegang tot de geïndiceerde jeugdhulpverlening en zorgt het indien nodig voor een adequate doorverwijzing naar andere vormen van zorg.
Wanneer men zich als beroepskracht/overleggroep zorgen maakt over een kind of jongere kan men hem/haar en/of de verzorgers doorverwijzen naar Bureau Jeugdzorg als de verzorgers zelf hulp willen.
Indien uit de aanmelding blijkt dat er een hulpvraag is, volgt een screening.
In dit gesprek wordt samen met de cliënt bekeken wat de problemen zijn en wat de hulpvraag is.
Van dit gesprek wordt een verslag gemaakt. Het screeningsverslag wordt intern besproken in een muldisciplinair team.
Hier wordt beoordeeld welke hulp nodig is. Er wordt een advies gegeven over het vervolgtraject. Dit advies wordt met de cliënt besproken.
Wanneer er geen vrijwillige hulpverlening op gang komt, dan wordt besproken met de
beroepskracht/overleggroep hoe de jongere het beste geholpen kan worden en of een onderzoek door het Veilig Thuis of de Raad voor de Kinderbescherming nodig is.

Signalenlijst kindermishandeling 4-12 jaar

Voorwoord

Als kinderen mishandeld, verwaarloosd en/of misbruikt worden, kunnen ze signalen uitzenden. Het gebruik van een signalenlijst kan zinvol zijn, maar biedt ook een zekere mate van schijnzekerheid. De meeste signalen zijn namelijk stress-indicatoren, die aangeven dat er iets met het kind aan de hand is. Dit kan ook iets anders zijn dan kindermishandeling (echtscheiding, overlijden van een familielid, enzovoort). Hoe meer signalen van deze lijst een kind te zien geeft, hoe groter de kans dat er sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling. Het is niet de bedoeling om aan de hand van een signalenlijst het ‘bewijs’ te leveren van de mishandeling. Het is wel mogelijk om een vermoeden van mishandeling meer te onderbouwen naarmate er meer signalen uit deze lijst geconstateerd worden. Een goed beargumenteerd vermoeden is voldoende om in actie te komen! De signalen die in deze lijst vermeld worden, hebben betrekking op alle vormen van mishandeling. Om een duidelijk beeld te krijgen van wat er aan de hand zou kunnen zijn, is het van belang de hele context van het gezin erbij te betrekken. Daarom worden ook een aantal signalen van verzorgers en gezin genoemd.

1. Psycho-sociale signalen

Ontwikkelingsstoornissen
achterblijven in taal-, spraak-, motorische, emotionele en/of cognitieve ontwikkeling
agressief gedrag
niet zindelijk
Relationele problemen ten opzichte van de verzorgers:
• totale onderwerping aan de wensen van de verzorgers
• sterk afhankelijk gedrag ten opzichte van de verzorgers
• onverschilligheid ten opzichte van de verzorgers
• kind is bang voor verzorger
• kind vertoont heel ander gedrag als verzorgers in de buurt zijn

Relationele problemen ten opzichte van andere volwassenen:
• bevriezing bij lichamelijk contact
• allemansvriend
• lege blik in de ogen en vermijden van oogcontact
• waakzaam, wantrouwend

Relationele problemen ten opzichte van andere kinderen:
• speelt niet met andere kinderen
• is niet geliefd bij andere kinderen
• wantrouwend
• terugtrekken in eigen fantasiewereld.

Gedragsproblemen
• plotselinge gedragsverandering
• labiel, nerveus gespannen
• depressief
• angstig
• passief, in zichzelf gekeerd, meegaand, apathisch, lusteloos
• agressief
• hyperactief
• destructief
• geen of nauwelijks spontaan spel, geen interesse in spel
• vermoeidheid, lusteloosheid
• niet huilen, niet lachen
• niet tonen van gevoelens, zelfs niet bij lichamelijke pijn
• schuld- en schaamtegevoelens
• zelfverwondend gedrag
• eetproblemen
• anorexia / boulimia
• slaapstoornissen
• bedplassen / broekpoepen

2. Medische signalen

Lichamelijke kenmerken (specifiek voor lichamelijke mishandeling)
• blauwe plekken
• krab-, bijt- of brandwonden
• botbreuken
• littekens

Verzorgingsproblemen (specifiek voor verwaarlozing)
• slechte hygiëne
• onvoldoende kleding
• veel ongevallen door onvoldoende toezicht
• herhaalde ziekenhuisopnamen
• recidiverende ziekten door onvoldoende zorg
• traag herstel door onvoldoende zorg

Overige medische signalen
• ondervoeding
• achterblijven in lengtegroei
• psychosomatische klachten (buikpijn, misselijkheid, hoofdpijn, etc.)

3. Kenmerken verzorgers / gezin

Verzorger-kind relatiestoornis
• verzorger troost kind niet bij huilen
• verzorger klaagt overmatig over het kind
• verzorger heeft irreële verwachtingen ten aanzien van het kind
• verzorger toont weinig belangstelling voor het kind

Signalen verzorger
• geweld in eigen verleden
• apathisch en (schijnbaar) onverschillig
• onzeker, nerveus en gespannen
• onderkoeld brengen van eigen emoties
• negatief zelfbeeld
• steeds naar andere artsen/ziekenhuizen gaan (‘shopping’)
• afspraken niet nakomen
• kind opeens van buitenschoolse opvang afhalen
• aangeven het bijna niet meer aan te kunnen
• verzorger met psychiatrische problemen
• verslaafde verzorger

Gezinskenmerken
• ‘multi-problem’ gezin
• verzorger die er alleen voorstaat
• regelmatig wisselende samenstelling van gezin
• isolement
• vaak verhuizen
• sociaal-economische problemen: werkloosheid, slechte behuizing, migratie, et cetera
• veel ziekte in het gezin
• draaglast gezin gaat draagkracht te boven
• geweld wordt gezien als middel om problemen op te lossen

4. Specifieke signalen bij seksueel misbruik

Lichamelijke kenmerken
• verwondingen aan genitaliën
• vaginale infecties en afscheiding
• jeuk bij vagina en/of anus
• problemen bij het plassen
• recidiverende urineweginfecties
• pijn in de bovenbenen
• pijn bij lopen en/of zitten
• seksueel overdraagbare ziekten

Relationele problemen
• angst voor mannen of vrouwen in het algemeen of voor een man of vrouw in het bijzonder
• sterk verzorgend gedrag, niet passend bij de leeftijd van het kind (parentificatie)

Gedragsproblemen
Afwijkend seksueel gedrag
• excessief en/of dwangmatig masturberen
• angst voor lichamelijk contact of juist zoeken van seksueel getint lichamelijk contact
• seksueel agressief en dwingend gedrag ten opzichte van andere kinderen
• niet leeftijdsadequaat seksueel spel
• niet leeftijdsadequate kennis van seksualiteit
• angst voor zwangerschap
• angst om zich uit te kleden
• angst om op de rug te liggen
• negatief lichaamsbeeld: ontevredenheid over, boosheid op of schaamte voor eigen lichaam
• schrikken bij aangeraakt worden
• houterige motoriek (onderlichaam ‘op slot’)
• geen plezier in bewegingsspel

5. Signalen die specifiek zijn voor kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld

Gedragsproblemen
• agressie: kopiëren van gewelddadig gedrag van vader (sommige kinderen, met name jongens
• kopiëren hun vaders gedrag door hun moeder of jongere broertjes/zusjes te slaan)
• alcohol- of drugsgebruik
• opstandigheid
• angst
• depressie
• negatief zelfbeeld
• passiviteit en teruggetrokkenheid
• zichzelf beschuldigen
• verlegenheid
• suïcidaliteit
Problemen in sociaal gedrag en competentie
• sociaal isolement: proberen thuissituatie geheim te houden en ondertussen aansluiting te vinden met leeftijdsgenoten (zonder ze mee naar huis te nemen)
• wantrouwen ten aanzien van de omgeving
• gebrek aan sociale vaardigheden

Schoolproblemen
• schooluitval
• moeite met concentreren
• overcompenseren (opvallend extra inzet op school)


Bijlage 4 Observatieformulier

Bij een vermoeden van kindermishandeling ga je eerst deze vragenlijst na om er achter te komen of je ongerustheid gegrond is.

Jongen/meisje Geboortedatum Kindercentrum Groep Naam pedagogisch medewerkers

Sinds wanneer is het kind op het kindercentrum? Sinds wanneer vertoont het kind opvallend gedrag? Beschrijf het opvallende gedrag

Hoe is het contact met andere kinderen in de groep? Hoe is het contact met volwassenen? Hoe is de uiterlijke verzorging van het kind? Hoe is de algehele ontwikkeling van het kind (verstandelijk, sociaal, emotioneel, motorisch) Hoe is het contact tussen kind en verzorgers? Hoe is het contact tussen verzorgers en de pedagogisch medewerkers? Zijn er bijzonderheden over het gezin te melden? Vermeld indien mogelijk ook de bron. Is er de laatste tijd iets in het gedrag of in de situatie van het kind veranderd? Wat is bekend over eventuele broertjes of zusjes?

Gesprekspunten teamoverleg

Wanneer de vragenlijst reden geeft tot ongerustheid, kunnen de onderstaande punten in het teamoverleg besproken worden.

Algemene gegevens Jongen/meisje: Leeftijd in jaar en maanden: Aantal dagen/dagdelen op de opvang: Op de opvang sinds: Aantal en leeftijd broertjes en zusjes: Informatie bij aanmelding:

Gegevens over de ontwikkeling Hoe is de motorische ontwikkeling?

Hoe is de verstandelijke ontwikkeling?

Hoe is de sociaal-emotionele ontwikkeling?

Algemene gegevens over het kindercentrum: Grootte van de groep: Verdeling naar leeftijd: Aantal pedagogisch medewerkers:

Algemene informatie over het gedrag van het kind Hoe verloopt het contact met de pedagogisch medewerkers? Hoe verloopt het contact met andere kinderen?

Welke positie neemt het kind in de groep in?

Hoe verloopt het halen/brengen?

Denkt u/ weet u of het kind het naar zijn zin heeft?

Wat doet het kind graag, waar speelt het kind mee?

Zijn er observatieverslagen uit het verleden?

Specifieke informatie over het opvallende gedrag van het kind op de opvang

Welk gedrag neemt u waar? Beschrijf dit gedrag.

Hoe lang doet dit gedrag zich al voor?

Weet u een concrete aanleiding die eraan vooraf ging? Waar gebeurde dit?

Hoe vaak komt dit gedrag voor? Elke keer wanneer het kind aanwezig is? Meerdere keren op een dagdeel? Af en toe? Hoe vaak precies?

Op welke momenten en/of in welke situaties komt het gedrag voor?

Hoe heeft u tot nu toe gereageerd op het opvallende gedrag? Wat was het effect?

Gegevens over de woon/thuissituatie Herkennen de ouders het hierboven beschreven gedrag?

Vertoont het kind dit gedrag ook thuis? Zo ja, hoe vaak?

Vertoont het kind het gedrag ook in andere situaties? Zo ja, welke?

Hoe gaan de verzorgers om met dit gedrag?

Wat is het effect van de manier waarop verzorgers met het gedrag omgaan?

Hoe is de relatie van het kind met de andere gezinsleden?

Factoren kind, verzorgers, opvang Zet de factoren op een rijtje die van invloed kunnen zijn op het gedrag vanuit het kind, het gezin en het kindercentrum. Kind

Gezin

Kindercentrum

Bijlage 6 Aandachtspunten voor een gesprek met verzorger(s)

Het doel van een gesprek is om de zorgen over datgene is waargenomen bij het kind, aan gedrag of concrete lichamelijke verschijnselen, met de verzorger(s) te delen.

Houd de volgende uitgangspunten in de gaten: • Bespreek wat je waarneemt bij het kind, bespreek niet je vermoedens. • Ga er van uit dat verzorger(s) het beste voor hun kinderen willen en dat is ook wat jij wilt: daar zit jullie gemeenschappelijke noemer.

Je hoeft geen schuldvraag aan de orde te stellen; je doet een beroep op de zorg van verzorger(s) voor hun kind. Omdat de verzorger(s) hun kind een aantal dagen per week aan jou toevertrouwen, ben jij een belangrijk persoon voor het kind en de verzorger(s). Het is dus logisch om de zorgen over het kind te delen. Dit delen van zorgen is een proces en vraagt om een procesmatige aanpak.

Fases in een procesmatige aanpak

1. Afwegingen vóór het gesprek: • Voer je het gesprek met de verzorger(s) alleen of samen (dit laatste heeft de voorkeur) met een vertrouwenspersoon/coördinator BSO /directie? • Nodig je beide verzorgers expliciet samen uit, leg je deze keuze voor aan één verzorger, of laat je dit aan de verzorgers over?

2. Spreek de zorg om het kind uit: Ik heb je kind nu (aantal) keer/maanden gezien/in de groep. Ik maak me zorgen over een aantal dingen die ik graag met jou/jullie zou willen bespreken. Is dit goed?

3. Bespreek één voor één de signalen aan de hand van onderstaande punten: • Beschrijf het signaal in concrete lichamelijke verschijnselen of waarneembaar gedrag: ‘Het is mij opgevallen dat wanneer jullie kind in de poppenhoek speelt, vaak seksuele handelingen naspeelt met de poppen en hij/zij doet dit als volgt…’En dan vul je concrete waarnemingen in. • Vraag of dit signaal herkend wordt: Is jullie dit wel eens opgevallen? Gebeurt dit thuis ook wel eens? Hoe lang is dit al zo? In welke situaties gebeurt dit?’ • Vraag of ouders een idee hebben waar dit vandaan komt: Hebben jullie enig idee waar dit vandaan komt? Wat vinden jullie ervan? • Spreek (indien nodig) je zorg uit over dit signaal: ‘Ik maak me er toch zorgen over dat jullie kind dit doet/heeft.’

4. De verzorger(s) delen de zorg

5. De verzorger(s) nemen de zorg over

Aandachtspunten: • Gebruik niet het woord signaal, maar beschrijf concrete lichamelijke verschijnselen of waarneembaar gedrag. • Leg de nadruk op het delen van zorg, niet op het beschuldigen/verdenken van de verzorger(s).

Zorgen delen Je kunt zorgen niet delen met de verzorger(s), wanneer het niet de zorgen van beide partijen zijn. Het kan geruime tijd in beslag nemen om zover te komen. Wanneer de verzorger(s) datgene watje hebt waargenomen absoluut (nog) niet kunnen waarnemen, is het van het grootste belang om bij dit onderdeel stil te blijven staan en niet de volgende fase van het gesprek in te gaan. Je kunt verzorger(s) in zo’n geval bijvoorbeeld vragen om het kind eens een tijdje te observeren en op te letten of ze dan toch het gedrag waarnemen dat jij als pedagogisch medewerker genoemd hebt. In een volgende afspraak kunnen jullie het er dan weer over hebben. Een andere mogelijkheid is te vragen of de verzorger(s) een ochtendje in de groep wil(len) komen kijken. Je kunt dan meteen aanwijzen welk gedrag je bedoelt. Neem hier de tijd voor. Want zolang verzorger(s) de signalen die jij met ze besproken hebt niet waarnemen, is delen van de zorg niet aan de orde.

Emoties In deze fase kunnen emoties een grote rol spelen. De verzorger(s) kunnen bijvoorbeeld boos worden, zich tekort voelen schieten en zich hier schuldig over voelen of zich schamen over het door jou beschreven gedrag van hun kind. Bijvoorbeeld wanneer je masturbatiegedrag in de groep of seksueel gedrag in de poppenhoek hebt beschreven.

Verzorger(s) kunnen door hun emoties op heel verschillende manieren reageren. Daarom is het altijd verstandig om expliciet naar de reactie van de verzorger(s) te vragen. Bijvoorbeeld: ‘Ik zie dat ik jullie ermee overrompel. Ik kan me voorstellen dat het moeilijk voor jullie is dat ik hier nu mee gekomen ben. Hoe ligt dit voor jullie?’

De verzorger(s) kunnen ook boos worden. Een manier om met boosheid of agressie om te gaan,is onder woorden te brengen wat je waarneemt en je eigen angst hiervoor (jezelf klein maken). ‘Ik zie dat jullie boos zijn en ik vind dat moeilijk, het maakt mij onzeker.’

Wanneer je als pedagogisch medewerker persoonlijk geraakt bent door wat je gezien of gehoord hebt van het kind is het goed dit onder woorden te brengen. Zolang de emoties de overhand hebben, is er geen gelegenheid om de verzorger(s) concrete, zakelijke informatie te geven. Laat staan naar een volgende stap te gaan. Pas wanneer de emoties een plaats hebben gekregen, is er gelegenheid om de verzorger(s) concrete, zakelijke informatie te geven.

Verduidelijking vragen Bij iedere fase is het van belang te vragen wat de verzorger(s) ervan vinden en of zij het genoemde herkennen. Vraag ook door als iets niet helemaal duidelijk is. ‘Wat bedoel je daar precies mee? Begrijp ik goed dat je zegt dat…’

Er kunnen dus meerdere gesprekken nodig zijn voordat je als pedagogisch medewerker op één lijn zit met de verzorger(s) wat betreft het waarnemen van de door jou gesignaleerde verschijnselen en gedragingen van hun kind.

Het delen van de zorg en het overnemen van de zorg zijn dan de volgende stappen die de verzorger(s) moeten maken. Het is van groot belang om het waargenomene ook dan nog over langere tijd te volgen en bij te houden in een logboek. Hierin kun je ook de afspraken met de verzorger(s) bijhouden. De praktijk leert dat wanneer je deze fase eenmaal bereikt hebt, de verzorger(s) een belangrijke steun zijn in het verder zoeken naar een mogelijke oorzaak van het zorgwekkende gedrag van hun kind. Verzorger(s) kunnen dan meestal heel goed meedenken over de verdere hulp die zij denken nodig te hebben.

Bron: Mw. J. vd. Berg, jeugdarts bij de afdeling jeugdgezondheidszorg, dienst OCW, gemeente Den Haag

Verder lezen: • Seksualiteit en (vermoedens van) seksueel misbruik in gesprekken met ouders; Han Spanjaard en Heleen Woelinga, 1993 • Persoonlijke mededelingen; Ymke Gorter

Bijlage 7 Enkele aandachtspunten in het contact met allochtone gezinnen

Vraag aan mensen wat hun gewoonten zijn. Niet alle allochtone gezinnen zijn hetzelfde.

Let er bij een eventueel huisbezoek op of bewoners hun schoenen aan hebben of dat de schoenen bij de voordeur staan. In Islamitische gezinnen kan het de gewoonte zijn om of op blote voeten of op sloffen in huis te lopen. Dit geldt dan ook voor gasten.

De echtgenoot en bij zijn afwezigheid de oudste zoon, is degene die de contacten naar de buitenwereld onderhoudt. Het is belangrijk om hem bij alles te betrekken.

Gastvrijheid is een groot goed. Er moet eerst iets gegeten of gedronken worden en een inleidend gesprek gevoerd worden voordat de reden van het huisbezoek ter sprake wordt gebracht. Probeer niet direct ter zake te komen. Dit wordt als onbeleefd onervaren.

Het verwoorden van de feiten in beelden en voorbeelden werkt vaak beter dan concreet zeggen waar het op staat.

Houd rekening met de familie-eer.

Er wordt veel waarde gehecht aan hiërarchische structuren binnen het gezin, de verdere familie en de samenleving. Probeer afspraken met iemand te maken die hoog op de ladder staat.

Het is eervoller een probleem met behulp van de familie op te lossen dan met die van buitenstaanders. Het betrekken van bijvoorbeeld een oom bij een probleem is in veel gevallen acceptabeler dan het inschakelen van een Nederlandse instantie. Als je dreigt vast te lopen vraag naar dergelijke familiecontacten.

In veel allochtone gezinnen is het onbeleefd om tegen een autoriteit (leerkracht, arts, et cetera) nee te zeggen. Dat wil zeggen, dat niet altijd uitgevoerd wordt wat afgesproken is.

Kijk niet vreemd op als bij een huisbezoek een hele familie aanwezig is. Wil je bijvoorbeeld met een ouder apart praten, zonder kinderen of familie, nodig hem/haar dan uit op een neutrale plek.

Veel vrouwen mogen niet alleen met een vreemde man zijn. Zorg in dat geval voor de aanwezigheid van een vrouwelijke collega.

Emotionele problemen worden vaak benoemd in termen van lichamelijke klachten, angst kan bijvoorbeeld hoofdpijn genoemd worden. Het consult bij de huisarts lost het probleem niet op. Mensen zijn letterlijk ziek van angst.

Naast de reguliere gezondheidszorg worden vaak genezers uit het land van herkomst geconsulteerd, omdat men bijvoorbeeld denkt dat de betreffende persoon bezeten is. Dergelijke rituelen zijn voor betrokkenen vaak van grote emotionele betekenis. Als vrouw is het best mogelijk om met een Turkse of Marokkaanse vrouw alleen te praten, zeker wanneer je aangeeft dat het gaat om ‘vrouwenzaken’. ‘Vrouwenzaken ‘ kunnen gaan over onderwerpen als menstruatie, kinderen krijgen en dergelijke. Het is dan vrij legitiem de man te vragen niet bij het gesprek aanwezig te zijn. Dit biedt gelegenheid om vertrouwelijk met een moeder te praten.

(Bron (bewerkt): Mevrouw A. Koning, maatschappelijk werker AMK Utrecht)

Bijlage 8 Aandachtspunten tijdens een gesprek met een jong kind

Een gesprek met het kind kan mogelijk extra informatie bieden over de situatie waarin het kind zich bevindt. Vanaf ongeveer 2 jaar is het mogelijk een gesprek(je) te voeren met het kind. Houd tijdens dit gesprek rekening met de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind. Het is niet de bedoeling dat het kind ondervraagd wordt. Een gesprek met het kind heeft aanvullende informatie dan wel steunend contact tot doel, en mag niet in de plaats van het contact met de ouders komen. Ter voorbereiding van zo’n gesprek kun je overleggen met de aandachtsfunctionaris en eventueel een pedagoog. Naast het contact met het kind is het zeer belangrijk om met een open houding het contact met ouders aan te gaan. Tips voor het gesprek:

• Voer het gesprek met een open houding. • Sluit aan bij waar het kind op dat moment mee bezig is, bijvoorbeeld spel, een tekening of knutselen. • Ga op dezelfde ooghoogte zitten als het kind en kies een rustig moment uit. • Steun het kind en stel het op zijn gemak. • Gebruik korte zinnen. • Vraag belangstellend en betrokken, maar vul het verhaal niet in voor het kind. Begin met open vragen (Wat is er gebeurd? Wanneer is het gebeurd? Waar heb je pijn? Wie heeft dat gedaan?) en wissel deze af met gesloten vragen (Ben je gevallen? Heb je pijn? Ging je huilen? Vond je dat leuk of niet leuk?). • Vraag niet verder, wanneer het kind niets wil of kan vertellen. • Houd het tempo van het kind aan, niet alles hoeft in één gesprek. • Laat het kind niet merken dat je van het verhaal schrikt. • Val de ouders (of andere belangrijke personen voor het kind) niet af, in verband met loyaliteitsgevoelens. • Geef aan dat je niet geheim kan houden wat het kind vertelt. Leg uit dat u met anderen gaat kijken hoe u het kind het beste kan helpen. Leg het kind uit dat u het op de hoogte houdt van elke stap die u neemt. Het kind moet nooit zelf de verantwoordelijkheid krijgen in de keuze van de te nemen stappen. • Vertel het kind dat het heel knap is dat hij/zij het allemaal zo goed kan vertellen. • Let tijdens het gesprek goed op de non-verbale signalen van het kind. • Stop het gesprek wanneer de aandacht bij het kind weg is.

Bijlage 9 Aandachtspunten voor een gesprek met een kind

Bij een vermoeden van kindermishandeling kan de pedagogisch medewerker met het kind praten om na te gaan of haar zorgen terecht zijn. Het kan ook voorkomen dat een kind zelf de pedagogisch medewerker in vertrouwen neemt. Medewerkers zien vaak erg op tegen dergelijke gesprekken omdat ze het moeilijk vinden hun houding te bepalen tegenover het kind. Het oefenen van gespreksvaardigheden kan meer zelfvertrouwen geven bij het voeren van dit soort gesprekken. Daarom is het belangrijk dat pedagogisch medewerkers zich bewust zijn van een aantal voorwaarden die bij het voeren van een gesprek met een mishandeld kind van belang zijn. Ook hier kan ter voorbereiding overleg gevoerd worden met de coördinator BSO of een pedagoog van de instelling.

In de eerste plaats kan een pedagogisch medewerker beter niet op voorhand geheimhouding toezeggen aan een kind. Veel kinderen willen in eerste instantie alleen iets vertellen als er beloofd wordt om het tegen niemand anders te zeggen. Als deze belofte gegeven wordt, komt de pedagogisch medewerker voor een groot dilemma te staan als het kind zou vertellen dat het mishandeld wordt: zij moet dan of het vertrouwen van het kind schenden of medeplichtig worden aan het in stand houden van een schadelijke situatie. De pedagogisch medewerker die een kind geheimhouding belooft uit angst dat het kind anders blijft zwijgen, moet zich wel bewust zijn van de consequenties van deze belofte. Als een pedagogisch medewerker geen geheimhouding wil toezeggen kan zij het kind wel beloven dat zij geen stappen zal ondernemen zonder dit van tevoren aan het kind te vertellen.

Een tweede belangrijk punt is dat de pedagogisch medewerker zich bewust moet zijn van de sterke loyaliteitsgevoelens van een kind ten opzichte van zijn ouders. Val nooit de ouders af tegenover het kind, al hebben ze nog zulke afschuwelijke dingen gedaan. Het kind zal geen vertrouwen meer hebben in iemand die zijn ouders veroordeelt.

Voorwaarden voor een goed contact tijdens een gesprek met een kind.

1. Echtheid Dit betekent dat de pedagogisch medewerker zichzelf is in de relatie met het kind. Zij doet zich niet anders voor dan zij is. Dit betekent niet dat de pedagogisch medewerker elke emotie die zij ervaart eruit gooit. Het betekent wel dat zij zich bewust is van haar eigen gevoelens en die niet ontkent of tracht te verdringen. Er moet overeenstemming zijn tussen dat wat zij ervaart en voelt en dat wat zij zegt en doet. Een professionele houding vereist oprechte belangstelling, een sfeer van veiligheid en het vermogen een goede ontvanger te zijn, dat wil zeggen op kunnen merken wat de gevoelens van het kind zijn een daarbij aan kunnen sluiten. Een dergelijke houding vormt een basis voor vertrouwen. Kinderen voelen heel goed aan wanneer iemand echt is of een façade ophoudt of doet alsof.

2. Empathie Empathie is het vermogen van de pedagogisch medewerker zich in te leven in de gevoelens van het kind. Empathie is het begrijpen van de ervaringen en gevoelens van het kind in hun betekenis voor dat kind. Het is belangrijk dat de pedagogisch medewerker de gevoelens van het kind niet slechts aanhoort. maar door woorden of op een niet verbale wijze aangeeft de beleving van het kind van binnen uit te verstaan.

3. Acceptatie Acceptatie houdt in dat de pedagogisch medewerker het kind accepteert zoals hij is. Het wil niet zeggen dat de pedagogisch medewerker het eens moet zijn met de gedachten of gevoelens van het kind maar wel dat zij deze accepteert zonder verder te veroordelen. Tijdens het gesprek met een kind is het ook van belang dat een pedagogisch medewerker in staat is om actief te luisteren. Actief luisteren betekent luisteren naar zowel de verbale als de nonverbale boodschappen van het kind. Het betekent ook ‘tussen de regels door’ luisteren naar de boodschappen die doorklinken in de stembuiging van het kind, aarzeling, stiltes etc. Actief luisteren houdt in dat de pedagogisch medewerker zich voortdurend afvraagt ‘Welke boodschap wil dit kind overbrengen? Wat zegt hij over zijn ervaringen, gedragingen, gevoelens? Door actief te luisteren kan het de pedagogisch medewerker duidelijk worden wat er aan de hand is met het kind en kan zij zicht krijgen op de emoties die het kind daarbij ervaart. De medewerker moet hierbij proberen om de gevoelens van het kind met eigen woorden samen te vatten.

Bij deze manier van luisteren krijgt de pedagogisch medewerker niet alleen de meeste informatiemaar geeft zij het kind ook het gevoel serieus genomen en geaccepteerd te worden. Bovendien kan de pedagogisch medewerker bij actief luisteren controleren of zij het kind goed heeft begrepen en zijn emoties goed heeft aangevoeld.

Enkele ezelsbruggetjes bij het actief luisteren: • ‘Je bedoelt…?’ • ‘Je probeert me duidelijk te maken dat….?’ • ‘Je voelt je…?’ • ‘Je hebt het gevoel dat…?’ • ‘Je zou het liefst willen dat…?’ • ‘Je hebt de indruk dat…?’

Algemene regels bij actief luisteren: • Begin met ‘Je…’ • Gebruik een vragende toon.

Kijk uit voor communicatiestops. Dit zijn opmerkingen, reacties etc. die werkelijke communicatie in de weg staan. Vaak worden ze onbewust gebruikt, bijvoorbeeld als iemand bang is om iets onaangenaams te horen of als het gesprek een wending dreigt te nemen die als emotioneel bedreigend wordt ervaren. Communicatiestops zijn: • veroordelen • ridiculiseren (belachelijk maken) • preken • afleiden • met het verhaal op de loop gaan • waarschuwen • sussen/geruststellen • niet serieus nemen • vragen stellen (die niet van belang zijn) • bevelen • beredeneren • oplossingen aandragen.

De meeste mensen hebben één of meer favoriete ‘stops’. Het is van belang om je bewust te worden welke van deze stops je geneigd bent om te gebruiken omdat het een werkelijk gesprek in de weg kan staan.

De volgende punten zijn van belang om tijdens het gesprek met het kind, dat vertelt over een mishandelingssituatie, voor ogen te houden: • Geloof het kind en trek diens verhaal niet in twijfel. Onderschat of bagatelliseer de ernst van de situatie niet. • Spreek waardering uit voor het feit dat het kind de moed heeft om z’n verhaal te vertellen. • Haast het gesprek niet, laat het kind in eigen tempo vertellen. • Stel geen waarom-vragen (het kind snapt immers zelf ook niet waarom hem dit overkomt) • Stel geen suggestieve vragen. Laat het kind zoveel mogelijk zelf benoemen wat er gebeurd is. • Pas je aan bij het woordgebruik van het kind. Vraag om verduidelijking als je het niet goed begrijpt. • Vertel het kind dat het niet zijn schuld is dat dit is gebeurd en evenmin zijn verantwoordelijkheid. • Vertel het kind dat het niet de enige is die zoiets overkomt en dat hulp mogelijk is. • Dring niet aan als het kind je vragen ontwijkt maar hou de deur voor het contact wel open.

(Bron: Cursus voor leerkrachten in het basisonderwijs. Interne uitgave VKM, augustus 1994.)

Bijlage 10 Omgaan met privacy

Tijdens het uitvoeren van de stappen in het protocol, is het belangrijk dat er zorgvuldig gehandeld wordt. Er is immers sprake van persoonlijk informatie over kinderen en gezinnen (zie ook privacyrichtlijnen 4.13). De wet op de Jeugdzorg (2005) geeft de gedragslijnen aan over het inzagerecht. Een ouder en/of wettelijk vertegenwoordiger (bijvoorbeeld een voogd) heeft het recht om het dossier van zijn/haar kind in te zien. Kinderen tussen de 12 en 16 jaar hebben gedeeltelijk recht op inzage en vanaf 16 jaar heeft een jongere recht op inzage. Inzage kan worden geweigerd wanneer het belang van het kind, de melder en/of informant wordt geschaad.

Belangrijke tips bij het omgaan met privacy • Betrek bij een overleg niet teveel mensen. • Zorg dat informatie over kinderen en gezinnen altijd binnenshuis blijft. Emoties kunnen de privacy in gevaar brengen. Soms willen pedagogisch medewerkers hun collega’s als uitlaadklep gebruiken. Dit is begrijpelijk, maar qua privacy niet de juiste manier om met de situatie om te gaan. Betrek daarom alleen personen die in het stappenplan genoemd worden. • Contact met andere instellingen kan alleen na toestemming van de ouder of wettelijk vertegenwoordiger. Contact met andere instellingen zonder toestemming kan alleen anoniem. Het gezin of kind mag dan niet bekend worden gemaakt. • Een uitzondering hierop is het contact met het Veilig Thuis. Dit kan zonder toestemming van ouders of wettelijke vertegenwoordiger. • Wees zorgvuldig met schriftelijke informatie. Verzorger(s) hebben recht op inzage in verslagen, formulieren en observatieverslagen. Alleen als het anonieme werkaantekeningen zijn, hebben ouders geen inzagerecht. • Schrijf daarom alsof de verzorger(s) over je schouder meekijken. Beschrijf waarneembaar gedrag en wees voorzichtig met interpretaties. • Als de verzorger(s) een verslag willen inzien, kun je voorstellen om het samen met hen te lezen. Erover te praten en waar nodig toe te lichten. Daarna kan een kopie worden meegegeven. Een andere mogelijkheid is om de belangrijkste punten uit het verslag en afspraken tijdens het gesprek op papier te zetten en aan de verzorger(s) te geven. Dit vormt tegelijk een leidraad voor eventuele volgende gesprekken met de verzorger(s). • Schriftelijke informatie moet goed worden opgeborgen in een afsluitbare kast. • Informatie die niet (meer) relevant is moet worden vernietigd of aan ouders worden meegegeven. • Schriftelijke informatie mag niet zonder toestemming van ouders of wettelijke vertegenwoordiger aan derden worden verstuurd. Eén uitzondering hierop vormt Veilig Thuis. • Schriftelijke informatie die de instelling van derden ontvangt, moet ook met toestemming van de ouders of wettelijke vertegenwoordiger zijn verstuurd. Als dit niet zo is, is het verstandig de informatie terug te sturen.

Bijlage 11 Meldrecht, meldplicht en zorgplicht

In de Wet op de jeugdzorg (2005) is het meldrecht vastgesteld. Dit betekent dat je wettelijk het recht hebt een melding te doen en daarbij ook alle relevante gegevens over te dragen aan het AMK. Het belang van het kind gaat hierbij vóór het belang van de privacy van het gezin. ] In de wet op de Jeugdzorg is ook de meldplicht opgenomen: Wanneer een medewerker van een instelling het vermoeden heeft dat een medewerker van dezelfde instelling zich schuldig maakt aan kindermishandeling moet hij dit direct melden bij de coördinator BSO, directie en het bestuur. Deze hebben de plicht direct het AMK hiervan in kennis te stellen.

Naast het meldrecht heeft ieder burger in Nederland een zorgplicht. Dit houdt in dat je de plicht tot zorgen voor het kind hebt. Aan de ene kant de plicht tot zorgen voor het kind en aan de andere kant de privacywetgeving in de vorm van de Wet bescherming Persoonsgegevens. Dat betekent dat je niet zomaar gegevens zonder toestemming mag geven aan derden. Dit heet een conflict van belangen. Bij een conflict van belangen weeg je zorgvuldig de belangen die in het geding zijn af. Dat doe je door het protocol te volgen en door alle stappen die je zet, schriftelijk te vermelden in het dossier. Wanneer je dit doet, kun je voldoen aan de zorgplicht en het meldrecht zonder bijvoorbeeld juridisch te worden vervolgd.

Meldplicht voor medewerkers in de kinderopvang bij geweld tegen kind Heeft een werkgever aanwijzingen van seksueel of ander geweld tegen een kind door een werknemer? Dan moet de werkgever dit melden bij de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs. De vertrouwensinspecteur overlegt met de werkgever of er aangifte moet worden gedaan bij de politie. Zo ja, dan onderzoekt de politie of de werknemer het misdrijf heeft gepleegd. Werknemers moeten bij aanwijzingen van geweld tegen een kind door een collega contact opnemen met hun werkgever. Vermoedt de werknemer dat zijn werkgever zich hier schuldig aan maakt? Dan moet de werknemer aangifte doen bij de politie. Ouders kunnen met aanwijzingen van geweld tegen een kind ook contact opnemen met de vertrouwensinspecteur. Wilt u weten wat u moet doen bij aanwijzingen van seksueel of ander geweld tegen een kind? Kijk dan in de publicatie Vertrouwensinspecteur in de kinderopvang.

Bijlage 12 Sociale kaart

Landelijke telefoonnummers: Veilig Thuis (0800-2000) Kindertelefoon (0800-0432) Landelijk Bureau Slachtofferhulp (030-2340116) NIZW Jeugd / Expertisecentrum Kindermishandeling (030-2306564)

Regio: Actueel Veilig Thuis Kennemerland: Postbus 6033 2001 HA Haarlem

Oostvet 60 2011 AK Haarlem Tel: 088-8006200 www.veiligthuis-ken.nl

Bureau Jeugdzorg: www.dejeugdengezinsbeschermers.nl Diakenhuisweg 17 2033 AP Haarlem 088-7778000

Bureau Slachtofferhulp: 0900 0101 GGD, afd. Jeugdgezondheidszorg: 023 5115901 Politie: 112, Kennemerland: 0900-8844 Raad voor de Kinderbescherming: 023 8882500 Maatschappelijk werk: 023 5713459 Huisarts (verwijzing naar Thuiszorg, Riagg) Schoolbegeleidingsdienst Blijf van m’n lijf: 023 5327825/ 24-uurs bereikbaarheid 020 6117957 Opvoedpoli Haarlem: 023-3030571 / haarlem@opvoedpoli.nl

Bijlage 14 Verdere informatie

Voor informatie over kindermishandeling kan je terecht bij:

Expertisecentrum Kindermishandeling: www.leck.nu www.kindermishandeling.nl(voor kinderen en jongeren) www.kindermishandeling.info (voor volwassenen)www.vooreenveiligthuis.nl

Kijk voor informatie over het internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind:www.kinderrechten.nl

Relevante websites www.nizwjeugd.nl www.kindertelefoon.nlwww.seksueelkindermisbruik.nl www.seksueelgeweld.nlwww.huiselijkgeweld.nl

Bijlage 15 Boeken over kindermishandeling

Achtergrondinformatie

Adriaenssens, P. Mijn kind is bang (en ik ook). Opvoeden tot weerbaarheid – Tielt, Lannoo nv, , 1998, ISBN 90-209-3120-2

Baartman, H. Opvoeden kan zeer doen. Over oorzaken van kindermishandeling, hulpverlening en preventie – Utrecht, SWP, 1996, 256 blz., ISBN 90-6665-218-7 Boek over de oorzaken van lichamelijke mishandeling en verwaarlozing. Met aandacht voor de hulpverleningspraktijk en primaire preventie. In dit verband worden de risicofactoren besproken.

Baeten, P., Geurts, E. In de schaduw van het geweld. Kinderen die getuige zijn van geweld tussen hun ouders. NIZW 2002, Utrecht. ISBN 90-5050-936-3 Dit boek brengt de kinderen in beeld die getuige zijn van geweld tussen hun ouders. Het belicht de achtergrond en de aard van de problematiek en beschrijft, wat het voor kinderen betekent getuige te zijn van geweld. Er worden handreikingen gedaan voor het signaleren van deze kinderen en adviezen gegeven voor de hulpverlening.

Doef, S. van der Kleine mensen grote gevoelens. Kinderen en hun seksualiteit – Amsterdam, De Brink, Ploegsma bv, 1994, ISBN 90-216-7161-1

Hondsmerk, R., E. Kok Een geheim teveel….. – ISBN 90-6067-636-X

Imbens, Al., I. Jonker Godsdienst en incest – Amersfoort, An Dekker, 1991, 269 blz., ISBN 90-5017-094-8 Aan de hand van interviews wordt ingegaan op incest binnen godsdienstige milieus en de samenhang met de geloofsbeleving. Tevens aandacht voor de begeleiding van vrouwen en kinderen als slachtoffer.

Killen, K. Het mishandelde kind. Kindermishandeling en een tekort aan zorg – Rotterdam, Ad Donker, 1999, 403 blz., ISBN 90-6100-461-6

Rensen, B. Kindermishandeling: voor het leven beschadigd – Utrecht, Bruna, 1990, 192 blz., ISBN 90-229-7928-8 Aandacht voor de vormen, achtergronden, gevolgen, signalering, diagnostiek, behandeling en preventie van kindermishandeling. Voorbeelden uit de praktijk van de auteur (jeugdarts) verduidelijken het geheel.

Strik, W., M. Borghorst Boos, bang, blij – ISBN 90-609-2902-0 Wolzak, A. Kindermishandeling – signaleren en handelen – Utrecht, NIZW Uitgeverij, ISBN 90-5050-797-2

Ervaringsverhalen en romans

Lichtenburcht, C. van, K. de Klein Sporen op de ziel. Mannen en vrouwen over de verwerking van hun incestverleden – Amsterdam, Anthos, 1997, 279 blz., ISBN 90-414-0219-5 Achttien incestslachtoffers vertellen over hun ervaringen, de invloed die het misbruik op hun leven heeft gehad en de, mede dankzij therapeutische hulp, geslaagde verwerking van deze ervaringen.

Liebeek-Hoving, I. Céleste’s kleine oorlog – Utrecht, Kwadraat, 1996, 96 blz., ISBN 90-6481-262-4 Roman over Céleste die als kind geestelijk mishandeld is door haar stiefvader en zijn zoon. Als ze achttien is, vlucht ze het huis uit. Met hulp van haar zusje, een hospita en haar vriendinnen overwint ze de gebeurtenissen uit haar jeugd.

Mitgutsch, A. Het land van de geslagen kinderen – Amsterdam, Van Gennep, 1988, 222 blz. ISBN 90-6012-625-4 Roman waarin een moeder terugblikt op haar jeugd en de kindertijd van háár moeder, die net als zijzelf werd mishandeld. Zij nam zich voor haar dochter beter op te voeden. De erfenis van haar moeder bleek echter sterker dan zijzelf.

Rubin, L. Het onverwoestbare kind – Amsterdam, Ambo, 1997, 239 blz., ISBN 90-263-1484-1 De auteur laat aan de hand van acht levensverhalen van in hun jeugd mishandelde volwassenen zien dat het ondanks een verwoestende kindertijd mogelijk is als een gelukkig mens in het leven te staan.

Slee, C. Moederkruid – Amsterdam, Prometheus, 2001, 202 blz., ISBN 90-446-0008-7

Boeken voor kinderen Botte, M.F., P. Lemaitre Kaatje Cactusbloem en haar egel: wij mij aanraakt, krijgt een prik – Houten, Van Reemst Uitgeverij,1996, ISBN 90-410-9028-2 Aan de hand van grappige tekeningen bespreekt Kaatje situaties waarin kinderen (seksueel) bedreigd worden. Kaatje vindt elke keer een oplossing voor de problemen. Het boekje is geschreven om kinderen weerbaar te maken, maar suggereert daardoor wellicht ook een schijnveiligheid.

Delfos, M. Sanne – Westbroek, Harlekijn Uitgeverij, 1993, 35 blz., ISBN 90-6386-106-0 Therapeutisch voorleesverhaal. Sanne wordt mishandeld door haar moeder. Ze verzint allerlei vriendjes en vriendinnetjes die haar helpen en troosten. Ze denkt dat ze het altijd fout doet. Vanaf 4 jaar. Delfos, M. Blijf van me af! – Westbroek, Harlekijn, 1995, 31 blz., ISBN 90-638-6115-X Therapeutisch voorleesverhaal. Er is een versie voor meisjes en een voor jongens. De hoofdpersoon wordt seksueel misbruikt door een stiefvader. De schoolarts bemerkt bij onderzoek iets. Van 8 tot 12 jaar.

Doef, S. van der Ben jij ook op mij? – ISBN 90-216-1498-7 Ik vind jou lief – ISBN 90-216-1150-3 Vanaf 6 jaar

Dorrestijn, H. Brandnetels en andere verhalen over kindermishandeling – Amsterdam, Bert Bakker, 1995, 98 blz., ISBN 90-351-1449-3 Zijn jeugdervaringen motiveerden de auteur een boek te schrijven met verhalen en gedichten over kindermishandeling. Vanaf 10 jaar.

Glansbeek, J. Tante Pech en de pechvogeltjes – Amsterdam/Antwerpen, Piramide, 1994, 55 blz., ISBN 90-254-0741-2 Tante Pech, een oude uil, beschermt met haar vleugels en troostende woorden dieren die door hun ouders lelijk behandeld worden. Een symbolisch verhaal over wat je na mishandeling kunt doen. Vanaf 8 jaar.

Grootel, L. van Nina Regenboog – Haarlem, Holland, 1998, 126 blz., ISBN 90-2510-792-4 Hester komt erachter dat haar vriendin Nina een geheim verbergt waarover ze niet wil praten. Hester maakt zich zorgen. Uiteindelijk vindt ze uit waarom Nina zich anders gedraagt dan de andere kinderen: ze wordt thuis mishandeld. Vanaf 12 jaar.

Hindman, J., T. Novak (ill.) Een pakkend boek voor kleine en voor grote mensen – Groningen, Uitgeverij Reco Multi Media, 1998, ISBN 90-764-5701-8 Een zeer komisch geïllustreerd boek dat allerlei aspecten van seksualiteit beschrijft, waaronder seksueel misbruik. Het doel is vooral om de weerbaarheid van kinderen te vergroten. Het boek heeft een mooi evenwicht gevonden tussen prettige en vervelende seksuele ervaringen en tussen humor en respect.

Boeken voor ouders Adriaenssens, P.Mijn kind is bang (en ik ook). Opvoeden tot weerbaarheid – Tielt, Lannoo nv, , 1998, ISBN 90-209-3120-2

Doef, S. van der Kleine mensen grote gevoelens. Kinderen en hun seksualiteit – Amsterdam, De Brink, Ploegsma bv, 1994, ISBN 90-216-7161-1

Lamers-Winkelman, F. Een werkboek voor ouders van seksueel misbruikte kinderen – Amsterdam, SWP, 20 blz., ISBN 90- 6665-347-7

Marsten, S. Geef uw kind zelfvertrouwen – ISBN 90-215-2563-1